Ode aan de onbekende berg

Tijdens een fietstrip naar de Franse Alpen bracht een vriend twee dikke vette boeken mee. Pagina na pagina kon ik mij verlustigen aan foto’s van bergen, bergen en nog eens bergen. Met zijn beste pennetje had een wielrenner teksten bij de beelden geschreven. Elke beschreven klim leek de ultieme uitdaging, geen berg was saai of het overslaan waard.

Ik hou van zulke boeken. Op eerdere vakanties heb ik met een andere vriend uren boven foto’s van de beste wintersportgebieden gehangen. Bij het omdraaien van elke bladzijde leek de poeder in dat volgende dorp nog beter, de liften nog sneller en de buckels nog heftiger. In mijn hoofd leiden lijstjes van bergen die nog bedwongen moeten worden een geheel eigen leven. De bergen op mijn bucketlist zijn een veilig ankerpunt om mijn gedachten heen te leiden als een vergadering te saai wordt of een beller te lang van stof. Waar ga ik komende zomer heen: de Tourmalet of toch maar de Ventoux. Wordt het deze winter Obergürgl of Val d’Isere?

En toch, en toch.

Geef mij de onbekende berg. De berg die nooit een segment op strava zal worden of een pagina in een dik boek. De berg waar de schichtige hagedissen net zo van mij schrikken als ik van hen. De berg waar kilometers lang blauwe korenbloemen langs de kant staan. De berg die eindigt in een dorp zonder café maar met een ijskoude bak water onder een druppelend kraantje. De berg waar ze nog vriendelijk naar wielrenners lachen. De berg die naar een kerkje leidt dat aan de heilige maagd Maria is gewijd. De berg die opeens overgaat in een zanderig pad. De berg waar je in een smoezelig café de allerbeste caffè e paste haalt. De berg die ruikt naar dennen, naar bloemen, naar de koeien in de wei. De berg die bij elke bocht een nóg mooier uitzicht schenkt. De berg waar een slang kronkelend de overkant haalt omdat er niemand is om hem dood te rijden.

Geef mij de onbekende berg. De berg waarvan ik niet weet waarheen hij leidt, hoe lang hij is, hoe steil het wordt. De berg waarbij ik mij plotsklaps moet aanpassen aan de hitte van de beklimming of juist aan de kou van het dalen. De berg waarvan niemand straks wil weten hoe lang ik erover deed, omdat niemand wist waar ik was. De berg die helemaal alleen van mij is.

Advertenties

Reuzen beklimmen

Alpen, Dolomieten, Apennijnen. Deze zomer beklom ik met mijn fiets meer bergen dan Amsterdamse bruggetjes. Niet dat het met meer hoogtemeters achter de kiezen ook makkelijker ging.

“Als je één zo’n berg opkomt, kun je er ook best een hoop achter elkaar beklimmen.” Blij dat de sympathieke collega het in de kantoortuin zei. Ik moest er vaak tijdens een moeizame klim aan denken, maar eens was ik het nooit. Als hij het boven op een van die reuzen had gezegd, had ik hem van de berg afgelazerd.

Nee, makkelijker werd het niet. Leuker wel. Leuker omdat ik niet meer hoef te twijfelen of ik het kan. Leuker omdat ik inmiddels weet wat ik aan eten en drinken mee moet nemen. Leuker ook omdat zenuwen plaats hebben gemaakt voor voorpret.20140730-191433-69273019.jpg

Met de Galibier en Stelvio in mijn binnenzak konden in één maand twee tamelijk indrukwekkende bergen van het to do lijstje worden afgestreept. Steeds weer keek ik met enige verbazing naar de foto van mijzelf op die Italiaanse berg uit de buitencategorie. Achtenveertig haardspelbochten in weer en wind zorgden voor een grijns die dagenlang niet meer weg te krijgen was. Wat had ik afgezien, maar wat was het gewéldig.

De ultieme vernedering

Ingehaald worden door een vrouw. Erger bestaat er voor mannen niet. Nou ja, misschien toch wel. Ingehaald worden door een dikke vrouw.

Ik ga deze man de vernedering van de dag bezorgen. De kort blik opzij als ik naast hem rij. Ontzetting spat uit zijn ogen. Ik duw en trek nog wat harder. Mijn dijen weten niet wat ze meemaken. Zo, daar ben ik voorbij.

De Keutenberg is zo’n Limburgse heuvel die je van niet-fietsers geen berg mag noemen. Wie hem beklimt heeft geen adem over voor dit soort discussies. Een kloteberg van 22 procent, dat is het.

Nog zeker twintig meter hoger moet ik. Twintig eindeloos lange meters van 22 procent. Mijn hijgen is over gegaan in briesend gerochel. Als een dronken bejaarde zwalk ik over het asfalt. Mijn voet wil de draai maken die nodig is om de schoen los te halen van het pedaal.

Rechts voor mij klikt de berijder van de carbon Willier los. Zijn zilveren Spidi raakt het asfalt terwijl de wielen van de rood-witte fiets stil vallen. Verslagen wist hij het zweet van zijn voorhoofd. Een laatste man om in te halen. Meer heb ik niet nodig.

Kijk nou, een vrouw!

Met wielrennen is iets raars aan de hand. Aan wielrennen kleeft een man-vrouwdingetje. Of zeg maar gerust: een man-vrouwding.

Bij schaatsen, zwemmen, skieën of hardlopen was ik mij nooit bewust van mijn sekse. Nou ja, bij zwemmen af en toe, vanwege de blikken op iets anders dan mijn zwemstijl. Maar op een piste of ijsbaan was ik als vrouw nooit anders dan de mannen. Bij wielrennen wel. Bij wielrennen valt een vrouw nog steeds enorm op, simpelweg omdat er zo ontzettend weinig vrouwen wielrennen. We zijn aan een opmars bezig, zeker. Maar normaal is onze aanwezigheid niet.

Als ik mijn fiets van mijn dakdrager til, staat er minstens één man mij bezorgd aan te gapen. De fietsenmaker monteert alle lampjes, bidonhouders en andere fratsen altijd gratis en zonder vragen op mijn fiets. Als ik mij voor een tochtje aanmeld, krijg ik de tip dat ik moet zorgen dat mijn materiaal in orde is. Tijdens zo’n koers zijn mijn blonde vriendin en ik een bezienswaardigheid. En als ik lek rij, stapt er altijd wel een man af om te helpen.

Gek is het wel. Voor de emancipatie is juist geen sport zo goed als wielrennen. Na veertig jaar leerde ik eindelijk een band plakken en verwisselen. Trots maakte ik een foto toen ik mijn nieuwe buitenbanden om mijn velgen had zitten. Die sensoren voor mijn navigatie monteerde ik uiteraard zelf. Ik heb eigen kettingolie en mijn multitooltje is beter dan dat van Michael. Op mijn verlanglijstje staat een kettingschoonmaakset. Toen ik vandaag in een handomdraai mijn remblokjes verving, wist ik het zeker: die argwaan van de mannen is nergens voor nodig.

Veiligheidshalve blijf ik voorlopig toch nog even bij vrouwenwielrennen.nl rijden en hou ik mij bij lek gedeisd, voor je het fietst ook de laatste galante heer aan mijn neus voorbij.

Ritsjes, strepen en gaten op de raarste plaatsen

Natuurlijk Isabel Marant: zilveren gympen met ingebouwde hakken – hoe konden we ooit zonder? Keer op keer weten kledingontwerpers een uitermate onlogisch kledingstuk tot mode te verheffen. Moet ik iemand nog herinneren aan de jaren tachtig met zijn schoudervullingen zo groot als een strijkijzer? Het naveltruitje? De legging?

Elk jaar blijf ik als een klein kind hopen. Hopen dat de ontwerpers in Parijs of Milaan besluiten dat sportkleding het komend seizoen het hélémaal wordt, qua mode. Want hoe graag ik mij ook op hakken in een mooi jurkje vertoon, het liefst zijn mij mijn sportkleren.

Dat vind ik ook zo zielig voor mensen die niet sporten. Ze hebben geen idéé. Natuurlijk is het  niet zo charmant als mensen hun wandelschoenen naar kantoor aandoen. Maar wie ooit Meindls aan heeft gehad weet hoe moeilijk het is die goddelijke sloffen weer voor enkelzwikkende Louboutins te verruilen. Die zwarte thermobroek waarin ik schaats? Dat is de hemel. Hij knelt niet, is lekker zacht, pilt niet, zit nooit in de weg en houdt mijn benen zelfs in vrieskou heerlijk warm. Dat warmhouden is trouwens iets wat vrijwel al mijn favoriete sportspullen gemeen hebben. Van lang ondershirt bij het fietsen tot de nerdy witte helm op mijn skihoofd: wind en kou hebben het nakijken. Vorig jaar deed ik mijzelf een buff van zwart merinowol cadeau. Google maar even. Lach gerust om wat ik voor dat ding betaalde, maar er zijn weinig kledingstukken waar ik zo van genoten heb dan van dat piepkleine beetje stof. Nou ja, behalve van die thermobroek dus.

De verhoudingen in mijn kledingkast beginnen een beetje scheef te worden, dat durf ik wel toe te geven. Het is niet alleen maar allemaal zo lekker warm. Ik ben ook zo dol op alle technische kantjes van sportkleding. Goretex, striping, polypropyleen, windbreakers, waterkolommen, het klinkt allemaal heerlijk veelbelovend. Alsof ik opeens rondjes sneller zal schaatsen of de berg op ga vliegen in mijn nieuwe fietsbroek. En eerlijk, soms heeft het ook echt nut. Ik heb armstukken waarmee ik op wisselvallige dagen van een t-shirt een fietstrui maak. Met mijn snowboardwanten kon ik een paar jaar geleden al mijn iPhone bedienen én mijn goggles schoonvegen, terwijl ik van mijn capuchon in een handomdraai een sneeuwstormproof burkabovenstuk maak. Het liefst zou ik de hele zomer mijn ultralichte meekleurende wielrenbril dragen.

Maar ja. De mode schrijft anders voor. En dat is niet voor niets. De sportspullen die het lekkerst zitten, zien er het minst uit. Ze glimmen, hebben ritsjes, strepen en gaten op de raarste plaatsen. Ze kleden nooit af. Door de zeem in mijn fietsbroek lijkt het alsof ik permanent een luier draag. Rokjes en sportschoenen, zelfs zonder lichtgevende driehoekjes blijft het een lastige combinatie. Er is niets, maar dan ook werkelijk niets, elegant aan een wielrentruitje met drie gevulde achterzakken. Maar dan denk ik aan die rare schoudervullingen, de blokhakken en de legging en dan weet ik: ooit kan de dag komen dat mijn thermobroek hip wordt.

Courage!

Hup! Zet ‘m op! Succes! Sterkte! In het Nederlandse polderlandschap slaat het nergens op fietsers aan te moedigen. Ja, in de regen misschien. Of als de wind fel van zee komt. Maar niemand die in zulk takkenweer bewonderend gaat stilstaan om de langs snellende fietsers toe te roepen. Bovendien, we missen het goede woord. Nee, dan de fransen. Op weg naar iedere col was er wel een wandelaar die even stil stond, keek en mij aanmoedigde. Met het toverwoord dat mij iedere keer op slag sneller deed fietsen. Het woord met de mooie rollende r. Het woord waar ik deze vakantie een beetje verliefd op werd: “Courage!”

Croix de fer

Niemand heeft gezegd dat het moet. Niemand heeft zelfs maar gevraagd of het mij leuk lijkt. En toch fiets ik in mijn dooie uppie dertig kilometer lang een tweeduizend meter hoge bergpas op met stijgingspercentages van wel 14%. Met mijn benen probeer ik mooie rondjes op de pedalen te maken. Ik denk aan de oefeningen op de heuvel in Spaarnwoude en hoor de strenge stem van de trainster in mijn hoofd: duwen en trekken, Marieke. Duwen en trekken. Mooie rondjes maken op de pedalen! Duwen en trekken, Marieke! Met enige regelmaat kijk ik verbaasd naar het lijf waar de gedachten uit voort komen: de benen trappen een berg op en het hart lijkt het allemaal wel best te vinden. Net op tijd rem ik voor een kudde schapen op de weg. De schapendoes botst tegen mijn fiets. “Excusez-moi,” mompelt de herder. Ik drink water en staar naar de besneeuwde bergtoppen.

croix-de-fer-col-de-laTwee jaar geleden kocht ik een grijs-groene Trek. Het was liefde op het eerste gezicht. De verkoper én mijzelf verzekerde ik dat ik ook helemaal niet veel versnellingen nodig had: ik vond het beklimmen van de Nesciobrug al een verzoeking. Geen haar op mijn hoofd die de bergen in wilde. Op vakantie in Oostenrijk nam ik de mountainbike mee en peddelde lekker langs de woest kolkende Ziller door het dal. Met de lift naar boven en mij eenmaal daar aangekomen van een singletrail af storten? No way. Stel je voor dat ik ergens weer even omhoog zou moeten.

De camping in San Baronto lag strategisch boven op een berg. Prachtig uitzicht en weinig verkeer. Wie wilde fietsen, moest afdalen. En weer klimmen. Nou ja, dan maar.

Ik dacht dat ik dood ging. Mijn hart bonkte in mijn keel, mijn hoofd knalde uit elkaar, dit kon niet goed zijn voor een mens. Afstappen en lopen. Mijn longen schreeuwden het uit, wat Ventolin om de geschrokken longblaasjes te helpen. Even fietsen en dan weer afstappen en lopen. Volkomen gaar liet ik mij bij de tent in een stoel zakken. Afstappen, lachte Michael, zo erg was die heuvel toch niet? Gewoon langzaam fietsen joh, dan kom zelfs jij wel fietsend boven. Nog maar een keer proberen dan. En verdomd. Héél langzaam doortrappend bleek de heuvel te overwinnen. Niet makkelijk, maar het ging. Onwaarschijnlijk trots kwam ik boven.

Mijn fiets ruilde ik in voor een exemplaar met een bergverzet. Ik liet mij overhalen de Amstel Gold Race te fietsen. Verraste mijzelf door de heuvels het leukst van alles te vinden. Sleepte daarna voor mijn lol het hele gezin mee naar Limburg om al die heuveltjes nog eens te kunnen beklimmen en boekte een camping aan de voet van de Col de la croix de Fer.

Dus daar fiets ik: dertig kilometer door het grote niets. De weg blijft maar omhoog gaan en het eind is nog lang niet in zicht. Ik trap rustig en denk niet meer aan duwen en trekken: ik ben allang blij als ik vooruit kom. Soms zwalk ik wat, maar gelukkig is er ’s ochtends zo vroeg toch geen verkeer. Af en toe stap ik af, hijgend als een hert. Met mijn hand pak ik wat van het laatste restje sneeuw. Ik maak een foto van mijn fiets voor een waterval. Tot twee keer toe kijkt een marmot mij parmantig aan vanaf het betonnen muurtje dat de weg van het ravijn scheidt. De natuur is hier zo prachtig dat er geen instagram nodig is. Ik ben iets te impulsief vertrokken, drinken of eten zit er tijdens het rusten niet meer in. Zou dat gebouw in de verte een restaurant zijn? Op de top zal toch wel een waterpunt staan? Mijn mobiele telefoon heeft geen bereik. Op de fietscomputer zie ik dat het nog zeven kilometer is. In dit tempo is dat iets minder dan een uur rijden. Of deze tocht verstandig is, hoef ik mij niet af te vragen. Maar hemel, wat is dit geweldig.

Nuffige kloteberg

Dé berg voor Nederlanders in Frankrijk is 1860 meter hoog.  De beklimming begint in het dorp Le Bourg d’Oisans, is 13,8 km lang en heeft stijgingspercentage van 7,9 %. In totaal worden 1061 hoogtemeters overbrugd. Tijdens de Tour de France barst het er van de dronken landgenoten die allemaal hopen dat na acht eerdere overwinningen opnieuw een Nederlander op de top zal finishen.

De Alpe d’Huez is eigenlijk helemaal niet mooi. Het dorp vol sfeerloze wintersportflats niet en de weg ernaar toe al evenmin. De omgeving wemelt van de geweldige wegen om te fietsen: door jan en alleman verlaten en met een natuurschoon dat de eenzame fietser over emigreren doet dromen. Tussen die prachtige kronkelweggetjes liggen houten chalets die met hun waterbakken en geraniums zó in de reclamefolder van het office du toerisme kunnen. Maar die beroemde berg heeft dat dus allemaal niet. Bussen en auto’s die je voortdurend afsnijden, hoge bomen die elk uitzicht belemmeren en debiele teksten lukraak op de rotsten gekalkt – dat is de Alpe d’Huez.huez

En toch. Toch gaat iedere fietser voor de bijl. Die beroemde berg bezit een magnetische kracht. Wat zal mijn tijd zijn? Is het echt zo erg of valt het mee? In de bochten de namen van beroemde fietsers die de etappe op hun naam mochten zetten. Iedere sukkel kan zich een beetje Boogerd, Zoetemelk of Theunisse wanen. De toeschouwers voor hun camper nemen nog een slokje van hun cappuccino en moedigen vrolijk aan. In bocht zeven vrouwen die elkaar op de foto zetten in dé Nederlandse bocht, terwijl hun mannen de berg beklimmen. Aan het eind de fotografen, die iedere fietser bijna doen geloven dat ze morgen op de voorpagina van l’equipe staan.

Natuurlijk ga ik ook naar boven. Daarvoor zijn we hier. En bovendien: Michael heeft een tijd neergezet en die moet gebroken worden. Even laten zien wie er elke week traint. Hemel. Het valt niet mee. Negen procent, tien procent. Veertien kilometer is lang als de stijgingspercentages je zo om de oren vliegen. Wat is dit zwaar, wat doen mijn benen het slecht. Gelukkig is het vroeg, in de schaduw is het nog lekker koel. In de bocht onder het kerkje van Le Ribot permitteer ik mij een korte stop. Banaan eten, water drinken en verder. Ik hou mijn snelheidsmeter in de gaten en trap rustig door. Een gelukzalig gevoel als ik mij bij Huez-en-Oisans realiseer dat ik mijn voorgenomen tijd ga kloppen. Op de laatste kilometer schijnt de zon fel op mijn rug. Duwen, trekken, duwen, trekken. Door de neus inademen, rustig door de mond uitademen. De hekken voor de Tour de France staan al langs de weg. Volgende week het spektakel, maar eerst mijn etappe. In de lange lome bocht het laatste bordje: bocht nummer 1. Ik ben er bijna en zet aan. Waar komt die kracht opeens vandaan? Daar, net na het café staat de finishvlag. Arrivée: vijf minuten sneller dan Michael. Het is verslavend, appt een vriendin. Zeker. Een nuffige overgewaardeerde berg is het. Zonder mooi uitzicht en met veel te veel uitlaatgassen. Maar wanneer gaan we weer?

Het lek

Wielrenners praten vaak over lek rijden. Waar ze lek reden, waarom en hoe het lek rijden te voorkomen is. Volgt een oeverloos en oninteressant verhaal over bandenspanning en soorten tubes. Ik praat liever niet over lek rijden. Het voelt een beetje als het onheil over mij afroepen. En omdat ik inmiddels goed geoefend ben in hulpeloos kijken stapt er vanzelf wel een man af om mijn band te plakken.

imagesBovendien: ik heb een idee dat het lek bij mij heel ergens anders zit. Nee, niet daar. In mijn portemonnee. Na de eerste fiets volgde een mountainbike en toen, echt dat was nodig, een betere racefiets. Elke nieuwe fiets vroeg, nee schreeuwde, om bidonhouders met bijpassende bidons. Om een zadeltasje. Een kilometertellertje. Een pompje. En ja mam, natuurlijk koop ik een bel. Zonder een helm kan een fietser niet, zonder fietsschoenen evenmin. En bij die schoenen horen schoenplaatjes die op hun beurt weer om speciale pedalen vragen. Als de teringvliegjes onophoudelijk in je ogen vliegen, blijkt vanzelf dat een fietsbril geen overbodige luxe is.

Overbodige luxe, daar scharen we een broek met zeem zeker niet onder. Fiets gerust een rondje in een broek die er wel normaal uitziet. Inderdaad. Pijnlijk verhaal. Nu ja, dat shirtje, dat kan ook best van de Decathlon komen, maar alleen voor de mensen die ’s nachts fietsen. Over ’s nachts fietsen: hoe kon ik ooit zonder demontabele fietslampjes? En met zulke gammele luchtwegen als de mijne, is een warm jack onontbeerlijk. En die handschoenen heeft onze trainer met haar strenge blik zelfs verplicht gesteld.

Op een dag was ik klaar. Ik had het lek gedicht. Alles wat een mens redelijkerwijs nodig heeft om te fietsen, was binnen. Nou ja, behalve die dakdrager dan voor op de auto. En die dakdrager voor de vriendin-die-gezellig-meerijdt. En het lichtgewicht slotje voor als we koffie drinken. En de navigatie die niet alleen de richting, maar ook mijn hartslag bijhoudt.

Zo lang als de webshops mijn creditcard accepteren, blijf ik financieel lek rijden. Gelukkig heb ik een baan, om dit gat te dichten heb ik geen man nodig.

Kop over kop

Omdat ik een oude iets te dikke vrouw werd, besloot ik twee jaar geleden te gaan wielrennen. Veel keus had ik niet, mijn gammele knie had hardlopen al knap lastig gemaakt. Ik vond het tof. Ik wilde steeds verder en steeds fanatieker. Voor ik het wist deed ik totaal ongetraind mee aan de Amstel Gold Race en reed ik na een lange werkdag voor mijn lol kop over kop trainingsrondjes door de polder.

Goed ben ik nog steeds niet. Inmiddels begin ik wel, en dat vind ik zelf ook zorgwekkend, trekjes van een bekeerling te vertonen. Mijn oude fiets heb ik al aan een collega verkocht en mijn motorman heeft dit weekend spontaan een strak zwart broekje mét zeem gekocht. Een asportieve kennis vroeg mij laatst of ik wat fietstips kon geven. Als mijn moeder straks haar elektrische fiets aan de wilgen hangt, ben ik echt te ver gegaan.